
Toen ik acht jaar oud was, vertelde een van mijn docenten op de basisschool tegen mijn ouders: “Wanneer ik naar Bodien kijk, zie ik een klein engeltje dat uit het klaslokaal raam staart, en vraag ik me af waar ze deze keer weer naartoe is afgedwaald.” Die neiging om mentaal af te dwalen vormt nog steeds de basis van mijn kunstpraktijk. Van het bouwen van droomachtige werelden tot het vullen van mijn atelier met zelfportretten, beweeg ik me door thema’s als thuis, nostalgie, emotionele landschappen en het gevoel ergens bij te horen.
Dat dwalen zet zich ook voort in de manier waarop ik werk. Door tekeningen, sculpturen en Installaties samen te brengen tot uitvergrote fragmenten van het alledaagse — kleine momenten, gedachten of gevoelens — neem ik de toeschouwer bij de hand en wijs ik er met een vergrootglas naar. Deze fragmenten functioneren als auto fictionele scènes, waardoor mijn werk zich beweegt tussen lichtheid en zwaarte, tussen iets speels en iets ernstigs. Juist die contrasten creëren een ruimte waarin humor en ongemak gelijke tijd kunnen bestaan. In plaats van weg te dromen in het klaslokaal van mijn docent, gebruik ik het afdwalen als een methode binnen mijn praktijk. Het brengt het werk dichter bij een gevoel van zoeken, vasthouden, loslaten, en soms simpelweg een tijdje ergens mee zitten.
Bodien Britshgi (Zwitserland, 2001)


